In Italië komt de kastanje in het najaar vaak op tafel, als puree bij gebraden vlees of wild, maar ook heel dikwijls als nagerecht.
Er worden 2 soorten kastanjes bereid :
De gewone tamme kastanje (castagna) is de kleine platte kastanje, zoals wij die ook kennen. Daarnaast heb je nog de marrone. Die is groter en boller. Deze soort is ook sappiger en zoeter. Rond Kerstmis zie je ze vaak te koop aangeboden als ‘marroni canditi’ (marrons glacés). Ze zijn vaak erg duur omdat men enkel de onbeschadigde exemplaren kan gebruiken en er tijdens het verwerken veel kapot gaan.
In Italië gebruikt men ook heel dikwijls kastanjemeel voor de nagerechten. Dit meel is niet lang houdbaar en moet dus tamelijk vlug verwerkt worden.
Tijdens de oktobermaand worden er overal in Italië oogstfeesten van de kastanjes gegeven, de zogenaamde “feste delle castagne” of “sagre”.
Het grote pluspunt van kastanjes is dat ze zo lekker zijn. Het nadeel is dat kastanjes bereiden wel wat tijd vraagt.
Om de kastanjes gebruiksklaar voor de recepten te maken zou ik het volgende aanraden :
1. Je weekt de kastanjes ca. 10 – 15 minuten in lauw water. Nu is de schil zachter en kan je een inkeping maken. Ofwel maak je een kruisvormige inkeping in de platte kant ofwel snij je van de ene rand tot de andere. Probeer zowel door de harde schil als door het donkere vliesje dat eronder zit te snijden. Als je de kastanjes op hun geheel wil gebruiken later, moet je er ook voor zorgen dat je niet te diep snijdt zodat het vruchtvlees niet beschadigd wordt. Je ziet, niet zo simpel!
2. Daarna laat je de kastanjes 3 – 4 minuten koken in kokend water. Nu kan je ze “makkelijk” pellen. Je moet dat wel doen terwijl ze nog warm zijn, want anders krijg je het bruine velletje onder de schil niet mee. Het beste neem je ze vast met een handdoek , terwijl je de pel eraf haalt. Je kan ze ook 15 minuten in de oven laten openkomen, maar ik vind dat de schil er makkelijker afgaat als je ze gekookt hebt.
En dan zijn de kastanjes klaar om verder verwerkt te worden.
|